Veelvoorkomende ziektebeelden op geriatrie
Acute verwardheid
Oudere patiënten of patiënten met een specifiek risicoprofiel ontwikkelen tijdens een ziekenhuisopname soms een periode van acute verwardheid.
Wat is een acute verwardheid of delier?
Zoals de naam zegt is het iets wat 'acuut' kan optreden: van het ene op het andere moment kan je familielid veranderen van gedrag en/of kan het verward worden. Die verwardheid kan zich op tal van manieren uiten: tijdens een gesprek kan je familielid volledig naast de kwestie antwoorden, het kan ongepast reageren op boodschappen of kan continu en ongepast lachen en/of huilen. De symptomen kunnen mogelijks ook bedreigender zijn bij een delier: je familielid kan bepaalde dingen horen/zien die er niet zijn, kan mensen onterecht beschuldigen van dingen (typisch diefstal en vergiftiging) of kan zelfs agressief zijn. Een minder gekende vorm van verwardheid is een zogenaamd 'hypoactief' delier. Daarbij is je familielid uitgesproken vermoeid, slaperig en weinig reagerend.
Kenmerkend aan het verloop van een delier is dat het acuut optreedt, het erg wisselend kan verlopen (het ene moment lijkt alles normaal, het andere moment is er weer manifeste verwardheid) maar dat het − gelukkig − ook quasi altijd voorbijgaand is.
Een delier is meestal relatief kortdurend, zijnde enkele dagen. In sommige gevallen kan een delier langduriger zijn. Dan kan een agressieve behandeling ook nodig zijn.
Hoe kan een acute verwardheid voorkomen worden?
Acute verwardheid ontstaat meestal door een combinatie van kwetsbaarheden bij de patiënt (bijvoorbeeld bestaande geheugenproblemen, gehoorproblemen, problemen met het zicht) met daarenboven een of meer uitlokkende factoren (pijn, zuurstoftekort, verminderde voedselinname, verstoord dag/nachtritme, infectie, medicatie, verdoving voor een operatie…).
Acute verwardheid kan dus voorkomen worden door de kwetsbaarheden van de patiënt zo goed mogelijk in kaart te brengen en die adequaat aan te pakken (bijvoorbeeld door bril en gehoorapparaat steeds te bevestigen bij een patiënt). Bovendien worden uitlokkende factoren zoveel mogelijk vermeden tijdens een opname en, als ze dan toch optreden, worden ze meteen behandeld: bij een infectie worden bijvoorbeeld antibiotica toegediend als dat nodig zou blijken.
Binnen de dienst geriatrie van AZ Jan Palfijn zijn alle zorgmedewerkers opgeleid in het herkennen van een delier. Bovendien is er een stappenplan om acute verwardheid te voorkomen en om het, zo nodig, ook te behandelen. Op die manier verkleinen we het risico op het optreden van een acute verwardheid en zorgen we dat het delier zo kort mogelijk de opname van je familielid verstoort.
Hoe kan een acute verwardheid behandeld worden?
De behandeling van een acute verwardheid bestaat uit 3 grote pijlers:
- Ten eerste zorgen we ervoor dat alle maatregelen getroffen zijn om een delier te vermijden. Zo monitoren we pijn, voedselinname en hebben we dagelijks aandacht voor de medicatie die de patiënt inneemt. Bovendien zorgen we voor een gezonde opnameomgeving die het risico op delier minimaliseert.
- Ten tweede nemen we, bij het optreden van een acute verwardheid, zoveel mogelijk niet-medicamenteuze maatregelen. We proberen zonder mogelijk schadelijke medicatie het delier te doen keren. Dat doen we door de patiënt zoveel mogelijk te oriënteren en zoveel mogelijk te activeren om het dag/nachtritme te behouden.
- Als de eerste twee stappen onvoldoende zijn, dienen we medicatie toe om de acute verwardheid te behandelen. We laten ons daarbij leiden door de meest recente wetenschappelijke inzichten. De toegediende medicatie kan er soms voor zorgen dat je familielid wat slaperiger wordt. Dat is op zich een te verwachten bijwerking. We behandelen altijd in de laagst mogelijke dosis gedurende een zo kort mogelijke periode. Heel typisch duurt een behandeling 3 dagen. Als er na 3 dagen geen verandering is, verhogen we de dosis en veranderen we het voorgeschreven medicament.
Wat kan je zelf doen als familielid om de patiënt te helpen?
Als familielid kan je een essentiële rol spelen in de behandeling van een acute verwardheid. Daarom is het belangrijk om volgende zaken op te volgen:
- Beperk het bezoek tot een beperkt aantal dichte vertrouwelingen van de patiënt. Te veel familieleden die op bezoek komen kan als verwarrend ervaren worden.
- Het is belangrijk om de patiënt zoveel mogelijk bewust te laten worden van de situatie. Daarom is het belangrijk om niet mee te gaan in het verwarde verhaal van de patiënt maar om je familielid op een rustige manier te corrigeren en te vertellen waar het is en waarom het in een ziekenhuis opgenomen is.
- Breng bril en/of gehoorapparaat mee naar het ziekenhuis.
- Soms kan acute verwardheid uitgelokt worden door een medicatiewijziging. Je doet er je familielid een groot plezier mee om een recent overzicht van de thuismedicatie mee te brengen naar het ziekenhuis.
- Soms kan acute verwardheid uitgelokt worden door stopzetten van dagelijks alcoholgebruik. Als je familielid regelmatig alcohol drinkt, kan je dat best ook melden aan het personeel. Op die manier kan de behandeling daaraan aangepast worden.
Dementie en gedragsstoornissen
Wat zijn de symptomen van dementie?
Bij een dementie treden er afwijkingen op in één of meerdere cognitieve domeinen (geheugen, snelheid van informatieverwerking, aandacht, concentratie, taalbegrip, taalexpressie, uitvoerende handelingen, visuele perceptie en constructie). Typische symptomen die hierbij kunnen optreden:
- vergeetachtigheid;
- problemen met eenvoudige dagelijkse handelingen;
- vergissingen in tijd en plaats;
- woorden vergeten of niet goed meer begrijpen;
- traagheid in spreken, woordvindingsstoornissen;
- kwijtraken van allerhande spullen;
- moeilijkheden hebben om met nieuwe zaken te leren werken;
- verandering in gedrag en karakter;
- terugtrekking uit sociaal leven;
- onrustig gedrag;
- ronddolen.
Het is belangrijk om te weten dat niet alle symptomen samen optreden. Sommige symptomen komen vroeger in de evolutie voor dan andere. Het is niet noodzakelijk om ernstige geheugenproblemen te hebben om van een diagnose dementie te kunnen spreken.
Wat zijn de meest voorkomende types van dementie?
Er zijn meer dan 10 verschillende soorten van dementie. De meest voorkomende types van dementie zijn:
- De ziekte van Alzheimer door neerslag van bepaalde eiwitten in de hersenen, waardoor er stofwisselingsstoornissen in de hersenen ontstaan.
- Vasculaire dementie door aantasting van de kleine bloedvaten, waardoor er kleine gebieden van de hersenen minder goed functioneren en er tragere informatieverwerking kan plaatsvinden.
- Frontotemporale dementie waarbij er specifiek stoornissen ontstaan in de zones van de hersenen die instaan voor aandacht, gedrag en taal.
- Parkinson en lewy body dementie waarbij er stofwisselingsstoornissen optreden in diepe kernen van de hersenen, waardoor er naast cognitieve problematiek ook regelmatig problemen met bewegen ontstaan (parkinsonachtige symptomen).
Hoe wordt een diagnose van dementie gesteld?
Een diagnose van dementie wordt meestal gesteld door een combinatie van het klinische verhaal van patiënt of familie, beeldvormingsonderzoek van de hersenen (CT, MRI of PET) en een nazicht en cognitieve testing door een neuropsycholoog.
Klassiek hebben we 2 a 3 afspraken nodig om tot een definitieve diagnose van dementie te komen. Deze afspraken gebeuren meestal volgens een vast stramien op het dagziekenhuis:
- Bij de eerste afspraak gaat het geriatrisch team luisteren naar je verhaal, gebeuren er eenvoudige geheugentesten en wordt er beeldvorming van de hersenen genomen
- Bij een tweede afspraak gaat de neuropsycholoog diepgaande cognitieve testen doen. Zo nodig kan er nog extra beeldvorming van de hersenen genomen worden.
- Voor de derde afspraak is er een multidisciplinaire bespreking van de resultaten om tot een definitieve diagnose te komen. Op de derde afspraak wordt de diagnose meegedeeld en wordt er een schema voor behandeling en opvolging voorgesteld.
Waarom is het moeilijk om de diagnose van dementie tijdens een ziekenhuisopname te stellen?
Heel veel zaken kunnen interfereren met de werking van de hersenen. Tijdens een episode van acute ziekte verandert de hersenfunctie enorm, waardoor tijdelijke episodes van moeheid, opgejaagdheid en soms zelfs verwardheid kunnen ontstaan. Ook medicatie die tijdens een ziekenhuisopname wordt toegediend, kan een effect hebben op hoe hersenen werken.
Afname van geheugentesten tijdens opname kunnen dan ook een fout beeld geven en leiden tot een foute diagnose van dementie. Om die reden proberen we altijd om de diagnose van dementie buiten een acute ziekte-episode te stellen via ons geriatrisch dagziekenhuis.
In gevallen van nood (bijvoorbeeld bij een vergevorderde dementie met ernstige problemen in de thuisomgeving) kan het zijn dat we beslissen om een patiënt op te nemen voor een gedragsobservatie om zo tot een diagnose van dementie te komen. Dat blijft eerder uitzondering dan regel.
Welke behandelingen zijn er voor dementie?
Hoewel er laatste jaren veel vorderingen zijn in het essentiële wetenschappelijke onderzoek rond dementie, blijven we momenteel beperkt in ons behandelingsarsenaal van dementie.
Momenteel kan enkel de ziekte van Alzheimer (gedeeltelijk) behandeld worden via medicatie. De geriater kan die medicatie voorschrijven op moment dat er een diagnose van een Alzheimerdementie gesteld is.
Voor de andere types van dementie moeten we ons momenteel focussen op symptoomcontrole en omkadering van de patiënt en familie met de ziekte. Symptoomcontrole kan zowel medicamenteus als niet-medicamenteus. De omkadering van de patiënt en familie kan gebeuren via professionele en vrijwillige organisaties die daarin gespecialiseerd zijn.
Infecties bij geriatrische patiënten
Wat voor soorten infecties zijn veel voorkomend?
Infecties komen heel veel voor naarmate patiënten ouder worden. Door verouderingsprocessen neemt de vatbaarheid voor alle mogelijke types infecties toe bij geriatrische patiënten. De gevolgen van een infectie zijn doorgaans ook zwaarder bij geriatrische patiënten dan bij jongere volwassenen.
De aanpak van infecties is aldus dagelijkse praktijk op de dienst geriatrie. Veel voorkomende infecties zijn:
- Urineweginfecties: kan gaan van een lokale blaasontsteking tot ernstige orgaanontstekingen van nier en prostaat.
- Luchtweginfecties: gaande van keelontstekingen tot longontstekingen.
- Maag/darminfecties: gaande van een virale maagontsteking tot ernstige bacteriële darmontstekingen of ontstekingen van de klieren en afvoerwegen van het maagdarmsysteem (alvleesklier, galwegontsteking).
- Huidontstekingen.
- Virale infecties (type griep en meer recent ook Corona).
Soms behandelen we ook ernstige doch minder voorkomende infecties. Bijvoorbeeld:
- diepe gewrichtsontstekingen;
- infecties van prothesen;
- geïnfecteerde doorligwondes;
- abscessen.
Wat zijn de gevolgen van een infectie?
Infecties kunnen voor ernstige ziekte zorgen bij geriatrische patiënten. Waar ontstekingsprocessen bij jongere volwassenen regelmatig zorgen voor koorts, algemene ziekte en heel duidelijk omschreven symptomen, kan dat bij geriatrische patiënten dikwijls meer atypisch verlopen.
Uitingen van infecties bij geriatrische patiënten kunnen soms subtiel zijn: milde koorts, onverklaarde verwardheid, herhaaldelijke valpartijen, verminderde eetlust… Het is daarom dat we op de dienst geriatrie altijd zeer laagdrempelig op zoek gaan naar infecties bij het ontstaan van onverklaarde symptomen.
Hoewel de symptomen van infecties bij geriatrische patiënten soms anders kunnen zijn, zijn de gevolgen dat niet. Infecties zijn een majeure oorzaak van ziekte en, jammer genoeg, ook sterfte bij geriatrische patiënten. Een snelle, agressieve en op maat gemaakte aanpak van infecties is dus noodzakelijk om de beste resultaten en de hoogste kan op genezing te hebben.
Hoe wordt een infectie behandeld?
De behandeling van een infectie hangt heel typisch af van de aard van de infectie: bacterieel/viraal, oppervlakkig/diep.
Sommige infecties zijn viraal (typische voorbeelden zijn griep, corona, maag-darmontstekingen), waardoor antibiotica niet helpen en die regelmatig meer kwaad dan goed doen. Bij die virale ontstekingen wordt dan ook regelmatig een zogenaamd 'conservatief' beleid gevoerd met voornamelijk aanpak van alles wat bij een infectie komt kijken: aanpak van verminderde eetlust, aanpak van koorts, aanpak van ademhalingsproblemen… In sommige gevallen zijn antivirale medicamenten voorhanden. In dat geval zal de geriater die ook in het therapeutische arsenaal betrekken.
Bacteriële infecties (typisch urineweginfecties, longontsteking) worden veroorzaakt door kleine micro-organismen die veel kwaad veroorzaken (bacteriën). Op zich zitten er bacteriën op heel veel plaatsen bij een gezonde mens. Maar doordat bepaalde bacteriën zich soms extreem kunnen vermenigvuldigen, kunnen ze een infectie veroorzaken. Die bacteriën zijn gevoelig aan antibiotica. De arts zal, bij het vermoeden van een bacteriële ontsteking, een aantal onderzoeken aanvragen om die bacterie te 'vangen' en dus te weten te komen om welke bacterie het gaat door de bacterie te kweken (bijvoorbeeld afname van een staal urine of van slijm). De antibiotica die de arts voorschrijft zullen steeds aangepast zijn aan de resultaten van deze testen zodat de kans op een volledig herstel maximaal is.
Soms kunnen infecties moeilijk bereikt worden door antibiotica (bv. bij abcessen of diepe ontstekingen van organen zoals bijvoorbeeld de galblaas). In dat geval kan het nodig zijn om via een operatie de infectie weg te nemen. Dat gebeurt bij voorkeur via een kijkoperatie (waarbij het herstel veel sneller verloopt).
Wat zijn mogelijke bijwerkingen van antibiotica?
Hoewel antibiotica soms noodzakelijk zijn voor de genezing, kunnen ze ook bijwerkingen veroorzaken. Doordat antibiotica niet enkel de 'slechte' bacteriën aanpakken die de infectie veroorzaken, maar ook de 'goede' bacteriën die bijvoorbeeld voor een goede maag-darmwerking zorgen, kunnen er vervelende bijwerkingen zijn. Typische bijwerkingen:
- misselijkheid en braken;
- diarree;
- schimmelinfecties ter hoogte van huid en slijmvliezen.
De arts zal steeds kijken hoe die bijwerkingen kunnen aangepakt worden. Soms is het noodzakelijk om door de bijwerkingen te veranderen van antibioticum.
Ik krijg antibiotica mee naar huis. Waarop moet ik letten?
Soms kan het zijn dat je langdurig moet nabehandeld worden met antibiotica. Je krijgt dan een voorschrift voor antibiotica mee, meestal onder de vorm van pillen. Om optimaal effect van de antibiotica te hebben, is het noodzakelijk dat je:
- de antibiotica steeds op de voorgeschreven momenten inneemt;
- de duur van de antibioticumtherapie respecteert en niet vroeger stopt dan voorgeschreven door de arts;
- de antibiotica neemt volgens de instructies van de apotheek.
Moeilijke thuissituatie
“Oost, west, thuis best”, het is een oud gezegde met een grote grond van waarheid. De meesten onder ons zijn het liefst thuis en blijven daar graag ook zo lang als mogelijk. Soms doen zich echter situaties voor waardoor de thuissituatie moeilijk wordt: een acute ziekte, het wegvallen van een mantelzorger, een breuk waardoor je niet meer goed kan lopen, geheugenproblemen waardoor je meer hulp nodig hebt…
In dat geval staan wij op de dienst geriatrie ook klaar om 75-plussers te helpen. We beschikken over een uitgebreide sociale dienst en staan in contact met heel wat organisaties die ervoor zorgen dat jij thuis de zorgen kan krijgen die je nodig hebt. Ook als een terugkeer naar huis tijdelijk of definitief niet meer mogelijk is, staan wij in contact met verschillende zorginstellingen die zorg op maat kunnen aanbieden. Samen met de patiënt en de familie gaan we steeds op zoek naar een passende oplossing.
Polyfarmacie
Hoe ouder je wordt, hoe groter de kans dat je te maken krijgt met meerdere ziektebeelden tegelijk en met meerdere behandelingen tegelijk. Daardoor vergroot de kans dat je meerdere medicamenten tegelijk moet innemen en dat daardoor soms een moeilijk te overzien geheel aan pillen ontstaat.
Hoe meer pillen je inneemt, hoe meer risico dat de medicamenten elkaar beïnvloeden en hoe meer risico je hebt op bijwerkingen.
Op de dienst geriatrie zijn we gespecialiseerd in het kritisch analyseren van complexe medicatieschema's en kijken we, op geleide van gespecialiseerde algoritmes, welke medicatie je verder kan helpen en welke mogelijks schadelijk kan zijn. Om dat te bekijken, werken we op de dienst geriatrie ook samen met een ziekenhuisapotheek.
In het bijzonder zoeken we op de dienst geriatrie ook naar medicatie die valpartijen, verwardheid of verslaving kan veroorzaken en kunnen we bijstand verlenen bij het afbouwen van die medicatie. Voorbeelden van die medicatie zijn slaapmiddelen, antipsychotica, sommige antidepressiva e.d.
Wondproblematiek
Preventie van wonden
Door het verlies aan bindweefsel en geassocieerde celstructuren is de huid van oudere patiënten veel brozer dan bij jongere volwassen patiënten. Bovendien kan wondheling door verminderde reserves, moeilijkere voedselinname, slechte bloedcirculatie en onderliggende ziekte moeilijker verlopen.
Wondpreventie is dan ook een zeer belangrijk topic op de dienst geriatrie. Om wonden te voorkomen, wordt er bij elke patiënt een inschatting gemaakt van het risico op doorligwonden en worden maatregelen genomen om wonden zoveel mogelijk te voorkomen (aangepaste huidproducten, wondzorgmateriaal en vermijden van voor de huid schadelijke interventies).
Bij een erg hoog risico op wonden worden soms specifieke maatregelen genomen om die te voorkomen: bijvoorbeeld het aanwenden van een speciale luchtmatras tegen doorligwonden.
Het multidisciplinair wondzorgteam van AZ Jan Palfijn
Op het moment dat er dan toch een ernstige wonde zou optreden, staat een volledig team klaar voor wondzorg. De verpleegkundigen op de dienst geriatrie hebben allen een basisopleiding wondzorg achter de rug. Bovendien krijgen ze advies van een verpleegkundig specialist wondzorg. Als de wonde het vereist, kan een interventie van een plastisch chirurg of vaatchirurg noodzakelijk zijn om de wonde optimaal te laten genezen.
Binnen AZ Jan Palfijn beschikken we over al het nodige materiaal om state-of-the-art wondzorg te leveren: bijvoorbeeld negatieve druksystemen, mogelijkheid tot flapchirurgie…
Opvolging na ziekenhuisopname
Een wondproblematiek kan soms een lange tijd nodig hebben om te genezen. Op het moment dat de wondgenezing gunstig evolueert, kan een ontslag naar de thuisomgeving vooropgesteld worden met een heel duidelijk voorschrift voor verdere wondzorg door de thuisverpleegkundige of de verpleging van het woonzorgcentrum. Om de evolutie van de wonden van nabij op te volgen, zien we patiënten met een complexe wondproblematiek graag terug voor controle. Afhankelijk van de mobiliteit van de patiënt gebeurt dat via de consultatie van de wondzorgverpleegkundige of via het geriatrisch dagziekenhuis.
Gebroken heup
Hoe ontstaat een heupbreuk?
Bij jongvolwassenen is er heel wat energie nodig om een heup te breken (bijvoorbeeld een zwaar verkeersongeval). Een heup is namelijk een zeer stevig bot dat veel krachten kan verdragen. Door verouderingsprocessen (botontkalking, verlies aan bindweefselstructuren…) gaat de kracht van het bot beetje bij beetje verloren, waardoor breuken van de heupen sneller voorkomen bij minder zware trauma’s, bijvoorbeeld door een simpele val in huis.
In minder voorkomende gevallen kan een breuk van een heup ook spontaan of bij miniem trauma optreden. In dat geval moet altijd gezocht worden naar onderliggende oorzaken waarom het bot zo snel breekt (onderliggende ziektes, ernstige botontkalking…).
Is een heupbreuk veelvoorkomend? Is het ernstig?
Van alle patiënten met breuken die in het ziekenhuis worden opgenomen, zijn breuken aan de heup de meest voorkomende reden voor opname op een dienst geriatrie. Breuken aan de heup zijn dus allesbehalve zeldzaam.
Hoewel een gebroken heup nog steeds een ernstige ziekte is, was de kans dat je geneest van een gebroken heup nooit groter dan vandaag. Door ons unieke RRFF-protocol krijg je gegarandeerd de best mogelijke behandeling voor je gebroken heup op basis van de recentste wetenschappelijke evidentie. De kans op genezing wordt zo gemaximaliseerd.
Hoe wordt een heupbreuk behandeld?
In de grote meerderheid van de gevallen is een heupbreuk niet stabiel. Dat wil zeggen dat het gebroken stuk bot verder kan bewegen als je op het bot steunt/stapt. Daardoor kan de breuk nog erger worden!
Om dat te voorkomen is het in de meerderheid van de gevallen noodzakelijk om de heup te opereren. Afhankelijk van het type breuk zal de orthopedist een prothese plaatsen of de gebroken botstukken met een nagel aan elkaar bevestigen.
Het doel is sowieso dat na de behandeling onmiddellijk steunname kan gebeuren om er voor te zorgen dat er geen kostbare tijd verloren gaat om de revalidatie aan te vatten.
Wat zijn de mogelijke complicaties na een heupoperatie?
De artsen en verpleegkundigen doen er alles aan om complicaties zoveel mogelijk te vermijden. Zo gebeurt de ingreep steeds in een ultrasteriele omgeving om infectie te voorkomen en zijn er na de ingreep heel wat zaken waar het personeel standaard op let (bijvoorbeeld voedselinname, preventie van bloedklonters, dagelijkse wondzorg…).
De vaakst voorkomende complicatie na een heupoperatie is dat de operatiewonde nabloedt. Dat zorgt er in zeldzame gevallen voor dat er een heringreep nodig is.
In een klein percentage van de gevallen treedt een lokale wondinfectie op. Die moet behandeld worden met specifieke wondzorg en eventueel antibiotica. Heel soms kan de geplaatste prothese ook uit de kom schieten. Daarom gebeurt er na de operatie sowieso een controleradiografie en houden we de eerste fase van de revalidatie altijd in het ziekenhuis.
Hoe ziet de opname na een heupoperatie eruit?
Een opname in het kader van een heupfractuur volgt over het algemeen een vast stramien:
- Je wordt via de dienst Spoedgevallen opgenomen. Je krijgt er over het algemeen een injectie in de lies om de pijn van de breuk onder controle te houden.
- Je wordt zo snel mogelijk geopereerd. Dat is in de grote meerderheid van de gevallen binnen de 24 uur. Soms moet een operatie tot 48 uur uitgesteld worden om medische of logistieke redenen (bv. bepaald materiaal voor de operatie dat besteld moet worden).
- Je wordt opgenomen op de afdeling orthogeriatrie. Daar start de revalidatie vanaf de eerste dag na de operatie.
- Tijdens de opname op de afdeling orthogeriatrie wordt dagelijks de toestand van de geopereerde heup bekeken en zijn we aandachtig voor eventuele complicaties.
- Ontslagplanning gebeurt vanaf dag 10 na de ingreep. De gemiddelde opnameduur bedraagt 14 dagen. De Sociale Dienst bekijkt vanaf opname wat er nodig is om een ontslag veilig te laten verlopen.
Waarom is er vanaf de eerste dag al revalidatie? Moet er geen rust zijn?
We zetten actief in op een zo snel mogelijke revalidatie. Gegevens uit wetenschappelijke literatuur bevestigen de noodzaak daarvan: elke dag langer bedrust zorgt ervoor dat het risico op complicaties toeneemt en dat de kans verkleint dat patiënten na revalidatie weer even goed kunnen mobiliseren als voor de operatie.
Waarom wordt er geen blaassonde geplaatst na een heupoperatie?
Grote wetenschappelijke studies tonen aan dat elke dag dat er een blaassonde bij de patiënt aanwezig is, het risico op ernstige blaasontstekingen toeneemt en dat een patiënt moeilijkheden heeft om zelfstandig te kunnen plassen. Bovendien belemmert een blaassonde een vlotte revalidatie. Daarom kiezen we ervoor om door middel van een ultramodern echotoestel te controleren of een patiënt zelfstandig volledig kan leegplassen. En als dat niet zo is, om een kortdurende en eenmalige sondage toe te passen en de katheter nadien onmiddellijk weer te verwijderen.
Kan ik naar huis na een gebroken heup en hoe word ik dan verder behandeld?
Tijdens de eerste week van opname zal de arts bepalen hoe de ontslagplanning eruitziet. Op basis van de bevindingen van de arts en op basis van de aanwezige hulp in de thuisomgeving kan het zijn dat er voorgesteld wordt om een ontslag naar de normale thuisomgeving tijdelijk uit te stellen tot de revalidatie verder gevorderd is. Het kan zijn dat er voorgesteld wordt om naar een revalidatiecentrum of kortverblijf te gaan voor verdere revalidatie. Soms kan het zijn dat een terugkeer naar de thuisomgeving ook op middellange termijn onwaarschijnlijk lijkt. Dan kan een definitieve opname in een woonzorgcentrum worden voorgesteld.
Waarom moet ik terugkomen naar het geriatrisch dagziekenhuis?
Binnen het RRFF-protocol vinden we het uitermate belangrijk dat elke patiënt de kans krijgt om zo optimaal mogelijk te revalideren na een gebroken heup. We vinden het ook belangrijk om het risico op nieuwe valpartijen te verminderen en de kans op nieuwe breuken te minimaliseren. Daarom bieden we elke patiënt ook verdere opvolging aan na ontslag uit het ziekenhuis. Tijdens die opvolging:
- controleren we of je heup voldoende genezen is aan de hand van een radiografie;
- controleren we of er geen infecties of bloedingen zijn aan de hand van een bloedafname;
- controleert de orthopedist het genezingsproces en adviseert hij eventuele verdere stappen om de revalidatie te bespoedigen;
- gaat de ergo-/kinesitherapeut je evolutie sinds het ontslag evalueren en kan er advies voor eventuele bijsturing van het revalidatietraject gegeven worden;
- kijken we of er nog extra maatregelen kunnen genomen worden om nieuwe valpartijen te voorkomen;
- zorgen we, zo geïndiceerd, voor een versterking van je botten door toediening van een botversterker (Aclasta/Prolia/Evenity);
- controleert de geriater je algemene toestandsbeeld, je medicatielijst en adviseert de geriater de huisarts over de volgende stappen.
Gebroken bekken
Hoe ontstaat een bekkenbreuk?
Bij jongvolwassenen is er heel wat energie nodig om een bekken te breken (bijvoorbeeld een zwaar verkeersongeval). Een bekken bestaat namelijk uit verschillende zeer stevige botten welke veel krachten kunnen verdragen. Door verouderingsprocessen (botontkalking, verlies aan bindweefselstructuren, …) gaat de kracht van het bot bij oudere patiënten beetje bij beetje verloren waardoor breuken van het bekken sneller voorkomen bij minder zware trauma’s, bijvoorbeeld door een simpele val in huis.
In minder voorkomende gevallen kan een breuk van een bekken ook spontaan of bij miniem trauma optreden. In dit geval moet altijd gezocht worden naar onderliggende oorzaken waarom het bot zo snel breekt (onderliggende ziektes, ernstige botontkalking, …).
Is een bekkenbreuk veelvoorkomend? Is het ernstig?
Van alle patiënten met breuken die in het ziekenhuis worden opgenomen, zijn breuken aan het bekken een minder voorkomende reden voor opname op een dienst geriatrie. Breuken aan het bekken zijn daarom niet zeldzaam, doch bijvoorbeeld breuken aan de heup komen veel meer voor.
Een gebroken bekken is een ernstige ziekte doordat dit meestal langdurige bedrust vergt en er heel wat bloedvaten rond het bekken lopen die kunnen beschadigd worden. Bovendien is een bekken heel moeilijk bereikbaar voor operatie. Desondanks zorgen we in AZ Jan Palfijn door ons unieke RRFF-protocol voor de beste mogelijke behandeling van je gebroken bekken op basis van de recentste wetenschappelijke evidentie. De kans op genezing wordt zo gemaximaliseerd binnen ons ziekenhuis.
Hoe wordt een bekkenbreuk behandeld?
In de grote meerderheid van de gevallen is een bekkenbreuk niet operabel.
De behandeling hangt af of de breuk “stabiel” is of “instabiel”. Bij een stabiele breuk is er geen risico dat de breuk verder gaat gaan bewegen als deze aan normale krachten wordt blootgesteld: bijvoorbeeld steunen, wandelen, naar het toilet gaan. Bij een instabiele breuk is er wel risico dat de breuk verder gaat bewegen waardoor er risico is dat er verdere schade aan het bekken en aan de organen in het bekken optreedt (bijvoorbeeld bloedingen).
Bij een stabiele breuk wordt er snel ingezet op mobilisatie en revalidatie om complicaties zoveel als mogelijk te voorkomen.
Bij een instabiele breuk is regelmatig langdurige bedrust nodig.
Wat zijn de mogelijkse complicaties na een bekkenbreuk?
De artsen en verpleegkundigen doen er alles aan om complicaties zoveel als mogelijk te vermijden. Zo zijn er tijdens de opname heel wat zaken waar het personeel standaard op let (bijvoorbeeld voedselinname, preventie van bloedklonters, dagelijkse wondzorg, …).
Meest frequent voorkomende complicatie bij bekkenbreuken zijn complicaties door langdurige bedrust: moeilijkheden om te plassen, constipatie, doorligwonden. Binnen het RRFF-protocol zijn er voor elk van deze complicaties maatregelen getroffen om het risico hierop te gaan minimaliseren. Als dergelijke complicaties toch optreden, worden ze zo snel als mogelijk behandeld.
Hoe ziet de opname na een bekkenbreuk eruit?
Een opname in kader van een bekkenbreuk volgt over het algemeen een vast stramien:
- Je wordt via de dienst spoedgevallen opgenomen. Je krijgt op de dienst spoedgevallen pijnstilling om de eerste acute pijn te gaan behandelen. Er worden onderzoeken uitgevoerd om de ernst van de breuk te gaan bekijken.
- De orthopedist schat in of de breuk stabiel of instabiel is. Bij een instabiele breuk wordt er bedrust voorgeschreven. Mogelijk is er ook een operatie nodig.
- Je wordt opgenomen op de afdeling ortho-geriatrie. Hier start de revalidatie vanaf dit mogelijk is. Ook bij bedrust krijg je aangepaste revalidatie van de armen en de romp.
- Tijdens de opname op de afdeling ortho-geriatrie wordt dagelijks de algemene toestand van de patiënt bekeken en zijn we aandachtig voor optreden van complicaties.
- Ontslagplanning gebeurt vanaf dag 10 na de ingreep. De gemiddelde opnameduur is afhankelijk van het type breuk. Stabiele breuken hebben meestal +-14 dagen nodig om het ziekenhuis te verlaten. Instabiele breuken zijn meestal langer opgenomen. De sociale dienst bekijkt vanaf opname naar wat er nodig is om een ontslag veilig te laten verlopen.
Waarom is er vanaf de eerste dag al revalidatie, moet er geen rust zijn?
Als de bekkenbreuk stabiel is, zetten we actief in op een zo snel mogelijke revalidatie. Gegevens uit wetenschappelijke literatuur bevestigen de noodzaak hiervan: elke dag langer bedrust zorgt ervoor dat het risico op complicaties toeneemt en dat de kans dat patiënten na revalidatie terug even goed kunnen mobiliseren dan voor operatie verkleint.
Waarom wordt er geen blaassonde geplaatst na een bekkenbreuk?
In grote wetenschappelijke studies is aangetoond dat elke dag dat er een blaassonde bij de patiënt aanwezig is, het risico toeneemt dat er ernstige blaasontstekingen ontstaan en dat een patiënt moeilijkheden heeft om zelfstandig te kunnen plassen. Bovendien belemmert een blaassonde een vlotte revalidatie! Daarom kiezen we er in AZ Jan Palfijn voor om door middel van een ultramodern echotoestel te controleren of een patiënt zelfstandig volledig kan leegplassen en, als dit niet zo is, om een “kortdurende en eenmalige” sondage toe te passen en de katheter nadien onmiddellijk terug te verwijderen. Indien we merken dat intermittente sondage bij bekkenbreuken toch te pijnlijk is, kijken we voor een alternatief met zo weinig mogelijk risico’s op complicaties.
Kan ik naar huis na een bekkenbreuk en hoe word ik dan verder behandeld?
Tijdens de eerste week van opname zal de arts bepalen hoe de ontslagplanning er uit ziet. Op basis van de bevindingen van de arts en op basis van de aanwezige hulp in de thuisomgeving kan het zijn dat er voorgesteld wordt om een ontslag naar de normale thuisomgeving tijdelijk uit te stellen tot de revalidatie verder gevorderd is. Het kan zijn dat er voorgesteld wordt om naar een revalidatiecentrum of kortverblijf te gaan voor verdere revalidatie. Soms kan het zijn dat een terugkeer naar de thuisomgeving ook op middellange termijn onwaarschijnlijk lijkt, dan kan het zijn dat een definitieve opname in een woonzorgcentrum wordt voorgesteld.
Waarom moet ik terugkomen naar het geriatrisch dagziekenhuis?
Binnen het RRFF-protocol vinden we het uitermate belangrijk dat elke patiënt de kans krijgt om zo optimaal mogelijk te revalideren na een bekkenbreuk. We vinden het ook belangrijk om het risico op nieuwe valpartijen te verminderen en de kans op nieuwe breuken te gaan minimaliseren. Om deze redenen bieden we aan elke patiënt ook verdere opvolging aan nadat de patiënt ontslagen is uit het ziekenhuis. Tijdens deze opvolging:
- Controleren we of bekken voldoende genezen is aan de hand van een radiografie
- Controleren we of er geen infecties of bloedingen zijn aan de hand van een bloedafname
- Controleert de orthopedist het genezingsproces en adviseert hij eventuele verdere te nemen stappen om de revalidatie verder te bespoedigen
- Gaat de ergo/kinesitherapeut uw evolutie sinds het ontslag evalueren en kan er advies voor eventuele bijsturing van het revalidatietraject gegeven worden
- Kijken we of er nog extra maatregelen kunnen genomen worden om nieuwe valpartijen te voorkomen
- Zorgen we, zo geindiceerd, voor een versterking van uw botten door toediening van een botversterker (Aclasta/Prolia/Evenity)
- Controleert de geriater uw algemeen toestandsbeeld, uw medicatielijst en adviseert de geriater de huisarts over verder te nemen stappen
Gebroken ruggenwervel
Hoe ontstaat een gebroken ruggenwervel?
Bij jongvolwassenen is er heel wat energie nodig om een wervel te breken (bijvoorbeeld een zwaar verkeersongeval). Een wervel is namelijk een zeer stevig bot dat veel krachten kan verdragen. Door verouderingsprocessen (botontkalking, verlies aan bindweefselstructuren…) gaat de kracht van het bot bij oudere patiënten beetje bij beetje verloren, waardoor breuken van onder andere wervels sneller voorkomen bij minder zware trauma’s, bijvoorbeeld door een simpele val in huis.
In minder voorkomende gevallen kan een breuk van een wervel ook spontaan of bij miniem trauma optreden. In dat geval moet altijd gezocht worden naar onderliggende oorzaken waarom het bot zo snel breekt (onderliggende ziektes, ernstige botontkalking, …).
Is een wervelbreuk veelvoorkomend? Is het ernstig?
Van alle patiënten met breuken die in het ziekenhuis worden opgenomen, zijn breuken aan de wervel de derde meest voorkomende reden voor opname op een dienst geriatrie. Veel patiënten met een ingezakte wervel worden ook thuis behandeld met pijnstillers. Breuken aan de wervels zijn dus zeker niet zeldzaam bij oudere patiënten.
Breuken aan wervels zijn over het algemeen pijnlijk, doch zelden levensgevaarlijk. Bij een instabiele breuk bestaat wel het risico op zenuwschade, waardoor snel ingrijpen soms noodzakelijk is. Door ons unieke RRFF-protocol krijg je gegarandeerd de beste mogelijke behandeling voor je wervelbreuk op basis van de recentste wetenschappelijke evidentie. De kans op recuperatie wordt zo gemaximaliseerd.
Hoe wordt een wervelbreuk behandeld?
In een heel aantal van de gevallen is een wervelbreuk een breuk die spontaan geneest. Op advies van de orthopedist wordt zo meestal een korte periode van rust voorgesteld waarin voldoende pijnstilling kan worden opgestart. Daarna wordt een revalidatieplan opgesteld.
Mocht de breuk toch instabiel blijken of risico op zenuwschade opleveren, dan kan worden overgegaan op wervelchirurgie. In de meerderheid van de gevallen wordt in dat geval een stuk van de wervel weggenomen om de zenuwen te beschermen of wordt er een soort cementlijm in het bot ingespoten om de wervel te stabiliseren.
Het doel is zowel bij operatie als geen operatie dat er op termijn een zo goed mogelijke mobiliteit en functionaliteit is. Daarvoor zetten we binnen het ziekenhuis actief in op verdere opvolging van het revalidatieproces na ontslag uit het ziekenhuis.
Wat zijn de mogelijke complicaties na een werveloperatie?
De artsen en verpleegkundigen doen er alles aan om complicaties zoveel mogelijk te vermijden. Zo gebeurt de ingreep steeds in een ultrasteriele omgeving om infectie te voorkomen en zijn er na de ingreep heel wat zaken waar het personeel standaard op let (bijvoorbeeld voedselinname, preventie van bloedklonters, dagelijkse wondzorg…).
De meest voorkomende complicatie na een werveloperatie is dat de operatiewonde nabloedt. Dat zorgt er soms voor dat er een heringreep dient te gebeuren.
In een klein percentage van de gevallen treedt een lokale wondinfectie op. Die dient behandeld te worden met specifieke wondzorg en eventueel antibiotica. Heel soms kan het zijn dat er zenuwschade optreedt na een ingreep aan de rug. In dat geval wordt er snel gekeken of een eventuele heringreep noodzakelijk is.
Hoe ziet de opname na een wervelbreuk eruit?
Een opname in het kader van een heupfractuur volgt over het algemeen een vast stramien:
- Je wordt via de dienst Spoedgevallen opgenomen. Je krijgt op de dienst spoedgevallen medicatie om de pijn onder controle te houden. Je krijgt over het algemeen tijdelijke bedrust.
- De orthopedist schat in of een operatie nodig is. Indien dat nodig is, wordt je zo snel mogelijk geopereerd. Dat is in de grote meerderheid van de gevallen binnen de 24 uur. Soms moet een operatie tot 48 uur uitgesteld worden om medische of logistieke redenen (bv. bepaald materiaal voor de operatie dat besteld moet worden). Als er geen operatie nodig is, krijg je regelmatig een stabiliserend korset aangemeten om de breuk zoveel mogelijk te stabiliseren.
- Je wordt opgenomen op de afdeling orthogeriatrie. Hier start de revalidatie vanaf de eerste dag na de operatie.
- Tijdens de opname op de afdeling orthogeriatrie wordt dagelijks de toestand van de schouder bekeken en zijn we aandachtig voor optreden van complicaties.
- Ontslagplanning gebeurt vanaf dag 10 na de ingreep. De gemiddelde opnameduur bedraagt 14 dagen. De Sociale Dienst bekijkt vanaf opname wat er nodig is om een ontslag veilig te laten verlopen.
Waarom is er al zo snel revalidatie? Moet er geen rust zijn?
We zetten actief in op een zo snel mogelijke revalidatie. Gegevens uit wetenschappelijke literatuur bevestigen de noodzaak daarvan. Elke dag langer bedrust zorgt ervoor dat het risico op complicaties toeneemt en dat de kans verkleint dat patiënten na revalidatie weer even goed kunnen mobiliseren als voor operatie.
Kan ik naar huis na een gebroken wervel en hoe word ik dan verder behandeld?
Tijdens de eerste week van de opname zal de arts bepalen hoe de ontslagplanning eruitziet. Op basis van de bevindingen van de arts en op basis van de aanwezige hulp in de thuisomgeving kan het zijn dat er voorgesteld wordt om een ontslag naar de normale thuisomgeving tijdelijk uit te stellen tot de revalidatie verder gevorderd is. Het kan zijn dat er voorgesteld wordt om naar een revalidatiecentrum of kortverblijf te gaan voor verdere revalidatie. Soms lijkt een terugkeer naar de thuisomgeving ook op middellange termijn onwaarschijnlijk. Dan kan een definitieve opname in een woonzorgcentrum worden voorgesteld.
Waarom moet ik terugkomen naar het geriatrisch dagziekenhuis?
Binnen het RRFF-protocol vinden we het uitermate belangrijk dat elke patiënt de kans krijgt om zo optimaal mogelijk te revalideren na een gebroken wervel. We vinden het ook belangrijk om het risico op nieuwe valpartijen te verminderen en de kans op nieuwe breuken te minimaliseren. Daarom bieden we elke patiënt ook verdere opvolging aan nadat de patiënt ontslagen is uit het ziekenhuis. Tijdens die opvolging:
- controleren we of je wervel voldoende genezen is aan de hand van een radiografie;
- controleren we of er geen infecties of bloedingen zijn aan de hand van een bloedafname;
- controleert de orthopedist het genezingsproces en adviseert hij eventuele verdere stappen om de revalidatie verder te bespoedigen;
- gaat de ergo/kinesitherapeut je evolutie sinds het ontslag evalueren en kan er advies voor eventuele bijsturing van het revalidatietraject gegeven worden;
- kijken we of er nog extra maatregelen kunnen genomen worden om nieuwe valpartijen te voorkomen;
- zorgen we, zo geïndiceerd, voor een versterking van je botten door toediening van een botversterker (Aclasta/Prolia/Evenity);
- controleert de geriater je algemene toestandsbeeld, je medicatielijst en adviseert de geriater de huisarts over verdere stappen.
Gebroken schouder
Hoe ontstaat een schouderbreuk?
Bij jongvolwassenen is er heel wat energie nodig om een schouder te breken (bijvoorbeeld een zwaar verkeersongeval). Een schouder/ bovenarm is namelijk een zeer stevig bot dat veel krachten kan verdragen. Door verouderingsprocessen (botontkalking, verlies aan bindweefselstructuren…) gaat de kracht van het bot beetje bij beetje verloren. Daardoor kunnen breuken van onder andere schouders sneller voorkomen bij minder zware trauma’s, bijvoorbeeld door een simpele val in huis.
In minder voorkomende gevallen kan een breuk van een schouder ook spontaan of bij miniem trauma optreden. In dat geval moet altijd gezocht worden naar onderliggende oorzaken waarom het bot zo snel breekt (onderliggende ziektes, ernstige botontkalking, …).
Is een schouderbreuk veelvoorkomend? Is het ernstig?
Van alle patiënten met breuken die in het ziekenhuis worden opgenomen, zijn breuken aan de schouder de tweede meest voorkomende reden voor opname op een dienst geriatrie. Breuken aan de schouder komen dus vaak voor.
Hoewel een gebroken schouder nog steeds een ernstige ziekte is, is de kans dat je recupereert na een breuk van de schouder nooit groter geweest als vandaag. Door ons unieke RRFF-protocol krijg je gegarandeerd de best mogelijke behandeling voor je gebroken schouder op basis van de recentste wetenschappelijke evidentie. De kans op recuperatie wordt zo gemaximaliseerd.
Hoe wordt een schouderbreuk behandeld?
In een heel aantal gevallen is een schouderbreuk een breuk die spontaan kan genezen. Op advies van de orthopedist wordt zo meestal een korte periode van rust (met bijvoorbeeld een draagdoek) voorgesteld en wordt voor nadien een revalidatieplan opgesteld. Om te controleren of de breuk voldoende stabiel blijft, zijn er regelmatige opvolgingen met radiografie.
Mocht de breuk toch instabiel blijken of mocht de breuk van in het beginstadium zo ernstig zijn dat een spontaan herstel onwaarschijnlijk is, dan kan worden overgegaan op schouderchirurgie. In de meerderheid van de gevallen wordt in dat geval een prothese van de schouder geplaatst (een zogenaamde 'nieuwe schouder').
Het doel is, operatie of niet, dat er op termijn een zo goed mogelijke mobiliteit en functionaliteit van de schouder is. Daarvoor zetten we binnen het ziekenhuis actief in op verdere opvolging van het revalidatieproces na ontslag uit het ziekenhuis.
Wat zijn de mogelijke complicaties na een schouderoperatie?
De artsen en verpleegkundigen doen er alles aan om complicaties zoveel mogelijk te vermijden. Zo gebeurt de ingreep steeds in een ultrasteriele omgeving om infectie te voorkomen en zijn er na de ingreep heel wat zaken waar het personeel standaard op let (bijvoorbeeld voedselinname, preventie van bloedklonters, dagelijkse wondzorg…).
De meest voorkomende complicatie na een schouderoperatie is dat de operatiewonde nabloedt. Dat zorgt er soms voor dat er een heringreep nodig is.
In een klein percentage van de gevallen treedt een lokale wondinfectie op. Die moet behandeld worden met specifieke wondzorg en eventueel antibiotica. Heel soms kan de geplaatste prothese ook uit de kom schieten. Vandaar dat er na de operatie sowieso controleradiografie gebeurt en we de eerste fase van de revalidatie altijd in het ziekenhuis houden.
Hoe ziet de opname na een schouderbreuk eruit?
Een opname in kader van een heupfractuur volgt over het algemeen een vast stramien:
- Je wordt via de dienst spoedgevallen opgenomen. Je krijgt op de dienst spoedgevallen medicatie om de pijn onder controle te houden en er wordt een draagdoek of gips aangelegd om de breuk zoveel mogelijk te stabiliseren.
- De orthopedist schat in of een operatie nodig is. Indien dat nodig is, word je zo snel mogelijk geopereerd. Dat is in de grote meerderheid van de gevallen binnen de 24 uur. Soms moet een operatie tot 48 uur uitgesteld worden om medische of logistieke redenen (bv. bepaald materiaal voor de operatie dat besteld moet worden).
- Je wordt opgenomen op de afdeling orthogeriatrie. Daar start de revalidatie vanaf de eerste dag na de operatie.
- Tijdens de opname op de afdeling orthogeriatrie wordt dagelijks de toestand van de schouder bekeken en zijn we aandachtig voor eventuele complicaties.
- Ontslagplanning gebeurt vanaf dag 10 na de ingreep. De gemiddelde opnameduur bedraagt 14 dagen. De Sociale Dienst bekijkt vanaf de opname wat er nodig is om een ontslag veilig te laten verlopen.
Waarom is er vanaf de eerste dag al revalidatie? Moet er geen rust zijn?
We zetten actief in op een zo snel mogelijke revalidatie. Gegevens uit wetenschappelijke literatuur bevestigen de noodzaak daarvan: elke dag langer bedrust zorgt ervoor dat het risico op complicaties toeneemt en dat de kans verkleint dat patiënten na revalidatie weer even goed kunnen mobiliseren als voor de operatie.
Kan ik naar huis na een gebroken schouder en hoe word ik dan verder behandeld?
Tijdens de eerste week van de opname zal de arts bepalen hoe de ontslagplanning eruit ziet. Op basis van de bevindingen van de arts en op basis van de aanwezige hulp in de thuisomgeving kan het zijn dat er voorgesteld wordt om een ontslag naar de normale thuisomgeving tijdelijk uit te stellen tot de revalidatie verder gevorderd is. Het kan zijn dat er voorgesteld wordt om naar een revalidatiecentrum of kortverblijf te gaan voor verdere revalidatie. Soms kan het zijn dat een terugkeer naar de thuisomgeving ook op middellange termijn onwaarschijnlijk lijkt. Dan kan een definitieve opname in een woonzorgcentrum worden voorgesteld.
Waarom moet ik terugkomen naar het geriatrisch dagziekenhuis?
Binnen het RRFF-protocol vinden we het uitermate belangrijk dat elke patiënt de kans krijgt om zo optimaal mogelijk te revalideren na een gebroken schouder. We vinden het ook belangrijk om het risico op nieuwe valpartijen te verminderen en de kans op nieuwe breuken te minimaliseren. Om die redenen bieden we elke patiënt ook verdere opvolging aan nadat de patiënt ontslagen is uit het ziekenhuis. Tijdens die opvolging:
- controleren we of je schouder voldoende genezen is aan de hand van een radiografie;
- controleren we of er geen infecties of bloedingen zijn aan de hand van een bloedafname;
- controleert de orthopedist het genezingsproces en adviseert hij eventuele verdere stappen om de revalidatie te bespoedigen;
- gaat de ergo/kinesitherapeut je evolutie sinds het ontslag evalueren en kan er advies voor eventuele bijsturing van het revalidatietraject gegeven worden;
- kijken we of er nog extra maatregelen kunnen genomen worden om nieuwe valpartijen te voorkomen;
- zorgen we, zo geïndiceerd, voor een versterking van je botten door toediening van een botversterker (Aclasta/Prolia/Evenity);
- controleert de geriater je algemene toestandsbeeld en medicatielijst en adviseert de geriater de huisarts over verdere stappen.
Herhaaldelijk vallen
Komt het veel voor?
Een valpartij kan iedereen overkomen: gezond/ziek, accidenteel/uitgelokt, met ernstige gevolgen of zonder ernstige gevolgen. Herhaaldelijk vallen is bij oudere patiënten erg vaak voorkomend en een van de meest voorkomende redenen voor een nazicht door een geriater.
Enkele cijfers:
- 1 op 3 65-plussers valt eenmaal per jaar.
- 1 op 2 80-plussers valt eenmaal per jaar.
- 10 % van de valincidenten hebben ernstige gevolgen (breuken, bloedingen...).
Wat zijn de oorzaken?
Een valpartij komt zelden alleen. Meestal is de oorzaak van een valpartij ook niet met één vinger aan te wijzen, maar zijn er heel veel oorzaken die elkaar versterken. Volgende zaken kunnen een rol spelen bij valpartijen:
- stoornissen in mobiliteit (evenwicht, spierkracht, artrose)
- medicatiegebruik (slaapmedicatie verhoogt bijvoorbeeld sterk het risico op vallen)
- stoornissen van het zicht
- stoornissen van het gehoor
- angst om te vallen
- aanwezige dementie, waardoor risico’s incorrect worden ingeschat
- acute verwardheid
- hart- en vaatziekten
- stoornissen in het evenwichtsorgaan
- incontinentieproblematiek
- zenuwziekten (zoals Parkinson)
- suikerziekte
- vitamine en eiwittekort
- alcoholgebruik
- onveilige omgeving
- onveilig schoeisel
Wat kan je er zelf aan doen?
Als je naar de risicofactoren hierboven kijkt, zie je dat er héél veel zaken zijn die kunnen aangepakt worden om het risico op valpartijen te verminderen. Een aantal maatregelen kan je zelf nemen zonder daarvoor medisch advies nodig te hebben:
- dagelijks voldoende wandelen om je mobiliteit in stand te houden;
- een correcte bril en gehoorapparaat dragen als dat nodig is;
- gezond en gevarieerd eten met aandacht voor inname van voldoende eiwitten (vlees, vis, eieren…);
- obstakels uit je omgeving verwijderen (denk maar aan tapijten).
- veilig schoeisel dragen (aan de hiel gesloten schoeisel zonder hak).
Hoe kan de geriater helpen?
Naast de maatregelen hierboven die je zelf kan nemen, kan het zijn dat er medische oorzaken zijn waarom je zoveel ten val komt. Een geriater kan die uitpluizen door je te bevragen, te onderzoeken en bepaalde onderzoeken aan te vragen.
De valuitwerking gebeurt meestal via een dagopname in het geriatrisch dagziekenhuis. Daarbij worden volgende zaken gedaan:
- De verpleegkundige doet een uitgebreide bevraging van je medische toestand en je algemeen functioneren. Er gebeurt een controle van de bloeddruk in zowel liggende als staande houding om te kijken of je geen bloeddrukvallen hebt. Daarnaast gebeurt er een labo om te kijken of er geen orgaanstoornissen aanwezig zijn die valpartijen kunnen verklaren.
- De ergotherapeut neemt een gericht valnazicht af waarbij alle risicofactoren voor herhaaldelijk vallen worden overlopen.
- De kinesitherapeut maakt een inschatting van spierkracht en evenwicht en zoekt of er oorzaken in je bewegingsstelsel zijn die valpartijen kunnen verklaren.
- De geriater gaat, naast een algemene bevraging, specifiek op zoek naar stoornissen van de organen en van het zenuwstelsel. Zo nodig zal de geriater extra onderzoeken voorschrijven om de oorzaak van het vallen op te sporen of verwijst die naar een andere specialist voor diepgaandere onderzoeken.
Op het einde van een valuitwerking krijg je een gedetailleerd bilan met daarin de gevonden oorzaken voor de valpartijen. Je zal ook een aangepast behandelvoorstel krijgen om de oorzaken aan te pakken. Een gedetailleerd verslag wordt ook aan je huisarts doorgestuurd zodat die je ook verder met raad en daad kan bijstaan.
Hartfalen
Met ouder worden, kunnen er vele zaken veranderen in een gezond hart: het hart kan stijver worden, de kleppen kunnen niet goed meer werken, de spierkracht van het hart kan afnemen en het hart kan ook te maken krijgen met zuurstoftekort. Al die zaken kunnen ervoor zorgen dat het hart 'faalt', met andere woorden: dat het niet meer goed doet waarvoor het gemaakt is, zijnde bloed rondpompen.
Bij een hart dat faalt ontstaan er klachten van verminderde bloeddoorstroming in de organen, ledematen en de hersenen, wat tot allerlei problemen met die systemen kan leiden. Eveneens kan hartfalen ervoor zorgen dat je vocht opstapelt in je longen (waardoor je kortademig wordt) of in je ledematen (waardoor je sterke zwelling van de ledematen krijgt).
Het kan nodig zijn dat je opgenomen wordt om de gevolgen van hartfalen te behandelen. Met medicatie proberen we er dan voor te zorgen dat je hart weer net iets beter zal werken, waardoor de organen beter bevloeid worden en de vochtopstapelingen verminderen. Klassiek maken we gebruik van plasmedicatie om dat effect te creëren. Daarnaast kunnen bepaalde dieetaanpassingen ook essentieel zijn om een recidief te voorkomen.
Vermagering en verminderde eetlust
De oorzaken van vermagering en verminderde eetlust zijn velerlei. Er kunnen enerzijds problemen ontstaan ter hoogte van je mondholte waardoor je minder eet of er kan een probleem in je maag/darmen zijn waardoor de voeding moeilijker wordt opgenomen. Daarnaast kunnen allerlei andere ziektes verantwoordelijk zijn voor vermagering en verminderde eetlust en kan het soms nodig zijn om wat dieper in het lichaam te zoeken naar een oorzaak.
Op de dienst geriatrie ben je aan het juiste adres om die onderzoeken te laten coördineren. Veelal gebeuren er verschillende beeldvormingen van je buik en borstkas en gaan we over tot een voedingsobservatie en een maag-/darmnazicht. De geriater kan ervoor zorgen dat de juiste onderzoeken plaatsvinden om tot een oorzakelijke diagnose te komen en een therapieplan voor te stellen.
Bovendien werken er op de dienst talrijke paramedici die je kunnen bijstaan (diëtisten, logopedisten, ergotherapeuten), waardoor we naast een diagnose ook een geïntegreerd plan van aanpak kunnen vooropstellen.
Bloedingen
Regelmatig worden we geconfonteerd met patiënten met traag bloedverlies van onduidelijke oorsprong. Dit bloedverlies kan ervoor zorgen dat patiënten bloedarmoede krijgen. Op de dienst geriatrie kunnen we enerzijds zorgen dat de bloedreserves snel aangevuld worden door het geven van een bloedtransfusie, doch kunnen we ook alles in het werk stellen om de oorzaak van de bloeding op te sporen en, waar nodig, het bloeden te stelpen.
Naast uitwendige bloedingen zien we heel regelmatig inwendige bloedingen. Klassiekers daarbij zijn maag-darmbloedingen, spierbloedingen en gynaecologisch bloedverlies. Samen met de betreffende orgaanspecialisten gaan we op zoek naar de plaats van bloeding en doen we er alles aan om de bloeding te stoppen.
Op momenten dat we de oorzaak van de bloeding niet vinden (bijvoorbeeld bij minieme dundarmbloedingen) of op het moment dat invasieve onderzoeken te zwaar zouden zijn, kunnen we ook puur symptomatisch behandelen door bijvoorbeeld bloedtransfusies of ijzerpreparaten te geven via ons geriatrisch dagziekenhuis.
Geriatrische revalidatie na chirurgie of acute ziekte
Na opname voor een acute ziekte kan het zijn dat patiënten in die mate verzwakt zijn dat een terugkeer naar de thuisomgeving niet onmiddellijk mogelijk is. Op dat moment kan er ofwel gekeken worden naar een opname in een revalidatieafdeling of kan een transfer naar een afdeling geriatrie ook overwogen worden bij 75-plussers.
Een opname op de dienst geriatrie kan soms de voorkeur genieten als er nog te veel acute ziekte aanwezig blijft om een veilig verblijf in een revalidatieafdeling of ziekenhuis mogelijk te maken. Op de dienst geriatrie kunnen we, naast de revalidatie in onze grote centrale revalidatiezaal, ook instaan voor de medische opvolging en behandeling van samenlopende ziektebeelden.
Op moment dat de samenlopende ziektebeelden behandeld en genezen zijn, kan een transfer naar een revalidatieafdeling of revalidatiecentrum verder tot de mogelijkheden behoren alvorens een ontslag naar huis mogelijk is. Alles hangt daarbij af van de ernst van de ziekte en de evolutie tijdens de ziekenhuisopname.